Richtlijn (EU) 2026/799 tot harmonisatie van bepaalde aspecten van het insolventierecht – beter bekend als de Insolventierichtlijn III – is nu in EU-recht omgezet en voorziet in een gemeenschappelijk minimumkader voor de behandeling van insolvente ondernemingen in de hele Unie. De lidstaten hebben minder dan drie jaar de tijd om de nieuwe regels in hun nationale rechtsstelsels om te zetten.
De richtlijn betekent een belangrijke stap in de richting van meer geharmoniseerde insolventieregelingen binnen de EU en is over het algemeen positief ontvangen. Het web van uiteenlopende insolventieregels in de EU wordt al lang gezien als een belemmering voor een sterkere kapitaalmarktenunie en een rem op grensoverschrijdende investeringen. Toch blijven er bedenkingen bestaan ten aanzien van het nieuwe insolventiekader.
De nieuwe wetgeving biedt weliswaar een oplossing voor de uitdagingen van gefragmenteerde lokale systemen, maar niet volledig. Bovendien lijkt het erop dat het streven naar efficiëntie ten koste is gegaan van de bescherming van schuldeisers. In het vervolg van dit artikel gaan we dieper in op de nieuwe wetgeving: waarom deze nodig was, wat ermee wordt beoogd en hoe kredietverzekering de risico’s kan beperken die een gedeeltelijke harmonisatie met zich mee kan brengen.
Van versnippering naar harmonisatie
De huidige situatie wordt inderdaad algemeen als onhoudbaar beschouwd. Concurrerende nationale insolventiewetten belemmeren de goede werking van de interne markt en de Kapitaalmarktenunie. Versnipperde regelgeving belemmert de uitoefening van fundamentele vrijheden, zoals het vrije verkeer van kapitaal en de vrijheid van vestiging.
Door de kernelementen van het materiële insolventierecht op elkaar af te stemmen, wil de EU een van de hardnekkigste belemmeringen voor een verdere financiële integratie wegnemen.
“De EU gaat een beslissende fase in bij haar inspanningen om de regelgeving op het gebied van insolventie en herstructurering binnen de Unie te hervormen en te harmoniseren”, aldus Lutz Jansen, advocaat en deskundig adviseur Special Risk Management bij Atradius. „Door de kernelementen van het materiële insolventierecht op elkaar af te stemmen, wil de EU een van de hardnekkigste obstakels voor verdere financiële integratie wegnemen en zo zowel de kapitaalmarktenunie als het concurrentievermogen van de Europese economie als geheel versterken.”
De richtlijn maakt, samen met de richtlijn inzake preventieve herstructurering, deel uit van een gezamenlijke inspanning om de verwarring in de nationale insolventie- en herstructureringsregelingen te verminderen en te komen tot consistente, EU-brede praktijken. De richtlijn voorziet in nieuwe minimumregels op vijf belangrijke gebieden:
- Vervalverklaringen
- Pre-pack-procedures
- Verplichting tot het aanvragen van insolventie
- Crediteurencomités
- Opsporing van vermogensbestanddelen
Het doel is om insolventieprocedures te realiseren die sneller, efficiënter en overzichtelijker zijn voor schuldenaren en belanghebbenden.
Pre-pack-procedures maken bijvoorbeeld een snelle en efficiënte verkoop van de bedrijfsactiviteiten of activa van een in moeilijkheden verkerende onderneming mogelijk, waarover vaak al wordt onderhandeld voordat de formele insolventieprocedure van start gaat. Het doel is om levensvatbare bedrijven in staat te stellen hun activiteiten voort te zetten in plaats van in liquidatie te gaan, en zo de aantrekkelijkheid van grensoverschrijdende fusies en overnames (M&A) van bedrijven in financiële moeilijkheden te vergroten. Het opsporen van activa geeft insolventiebeoefenaars ondertussen meer bevoegdheden om activa in de hele EU op te sporen en verborgen middelen terug te vorderen.
Over het geheel genomen hopen beleidsmakers dat de richtlijn banen zal behouden, de economische stabiliteit zal versterken en de EU aantrekkelijker zal maken om zaken te doen, terwijl tegelijkertijd de bescherming van schuldeisers wordt versterkt. De eerste drie doelstellingen zullen waarschijnlijk worden bereikt. Over de laatste bestaat twijfel.
De grenzen van harmonisatie
Het doel van de richtlijn is het creëren van een basis voor harmonisatie waarop lidstaten hun eigen insolventiesystemen kunnen heropbouwen. „Lidstaten behouden aanzienlijke discretionaire bevoegdheid over kernelementen, zoals insolventiedrempels en de rangorde van vorderingen“, zegt Jansen. „Het is onvermijdelijk dat de reikwijdte en kwaliteit van de nationale omzetting en handhaving per rechtsgebied zullen verschillen. De EU vermijdt bewust één enkel insolventiestelsel, wat betekent dat de rechtszekerheid onder de nieuwe wetgeving weliswaar kan verbeteren, maar niet uniform zal worden. Grensoverschrijdende schuldeisers zullen nog steeds hun weg moeten vinden in meerdere rechtsstelsels“, aldus Jansen.
De richtlijn stelt minimumnormen vast, maar laat aanzienlijke ruimte voor lokale interpretatie. Dit zorgt ervoor dat insolventieprocedures zijn afgestemd op de individuele omstandigheden van de lidstaten, maar brengt uitdagingen met zich mee op het gebied van transparantie, participatie en afdwingbaarheid.
De EU vermijdt bewust één enkel insolventiestelsel, wat betekent dat de rechtszekerheid weliswaar zou kunnen verbeteren onder de nieuwe wetgeving, maar niet uniform zal worden.
Met andere woorden: de nieuwe regels zullen de consistentie verbeteren, maar ze zullen geen uniformiteit creëren. Dat levert administratieve rompslomp op voor grensoverschrijdende investeerders en leveranciers. Het roept ook terechte vragen op over de vraag of er een goed evenwicht is gevonden tussen efficiëntere insolventieregelingen en adequate bescherming van crediteuren.

Zijn crediteuren voldoende beschermd?
Het kader is erop gericht de bescherming van crediteuren te versterken, maar de flexibiliteit die de lidstaten bij de uitvoering wordt geboden, betekent dat de beschermingsmaatregelen binnen de Unie op verschillende manieren zullen worden toegepast. Een leverancier zou kunnen merken dat zijn belangen in de ene EU-lidstaat beter worden beschermd dan in een andere wanneer klanten moeite hebben om facturen te betalen.
Tegelijkertijd legt de hervormingsagenda de nadruk op snelle resultaten, waardebehoud en herstructurering; het verbeteren van de efficiëntie en voorspelbaarheid voor ondernemers, werknemers en investeerders. Het risico bestaat dat de EU-wetgeving zich richt op bedrijfsredding en bredere economische stabiliteit, en daarmee een zwakkere individuele bescherming van crediteuren lijkt te accepteren, vooral nu de regels in verschillende nationale systemen worden omgezet.
„De richtlijn betekent een duidelijke vooruitgang, maar het risico bestaat dat snelheid en flexibiliteit voorrang krijgen boven robuuste bescherming van schuldeisers“, zegt Wencke Mull, regionaal hoofd Risk Services bij Atradius. “De richtlijn stelt minimumnormen vast in plaats van consistente waarborgen te bieden. Dit leidt tot een structureel onevenwicht; crediteuren krijgen efficiëntere procedures, maar niet noodzakelijkerwijs sterkere rechten of betere resultaten bij het terugvorderen van vorderingen. De hervorming verbetert de standaardisatie van de procedures, maar schiet tekort in het bieden van het niveau van voorspelbaarheid en bescherming waarop investeerders en kredietverstrekkers uiteindelijk moeten kunnen vertrouwen.”
Om een voorbeeld te noemen: er bestaat bezorgdheid dat pre-pack-procedures meer gericht zijn op het behoud van waarde dan op de bescherming van schuldeisers. De regels vergemakkelijken de verkoop van bedrijven in financiële moeilijkheden en hun activa, waardoor de kans groter wordt dat de bedrijfsvoering wordt voortgezet. Maar schuldeisers hebben weinig inspraak gekregen in een proces dat is ontworpen met het oog op snelheid en efficiëntie.
De richtlijn stelt minimumnormen vast in plaats van te zorgen voor consistente waarborgen. Dit leidt tot een structurele onevenwichtigheid; schuldeisers profiteren van efficiëntere procedures, maar niet noodzakelijkerwijs van sterkere rechten of betere resultaten bij de invordering.
"Het probleem is hier dat de goedkeuring van de voorgenomen verkoop door de crediteuren slechts facultatief is en aan het oordeel van elke EU-lidstaat wordt overgelaten", zegt Mull. “Er kunnen onderhandelingen plaatsvinden waarbij de schuldeisers slechts in beperkte mate betrokken zijn. Het risico is dat schuldeisers onvoldoende inzicht hebben in de transactie of niet in staat zijn om waarderingen aan te vechten terwijl de verkoop in hoog tempo verloopt, en dat de waardeoverdracht bepaalde belanghebbenden bevoordeelt ten opzichte van anderen”, aldus Mull.
Bovendien geldt bij pre-pack-procedures als algemene regel dat contracten die noodzakelijk zijn voor de voortzetting van de bedrijfsvoering en die nog niet zijn nagekomen, worden overgedragen aan de koper van het bedrijf zonder toestemming van de contractpartij, dat wil zeggen de schuldeiser van de schuldenaar. De lidstaten hebben echter de mogelijkheid om te bepalen dat – afhankelijk van de aard van de overeenkomst, de aard van de partijen of de belangen van het bedrijf – de toestemming van de schuldeiser vereist is. Daardoor zou een schuldeiser gedwongen kunnen worden de bedrijfsactiviteiten voort te zetten met een onderneming met een totaal ander risicoprofiel, zonder de kans te hebben om vooraf een gedegen risicobeoordeling uit te voeren.
Deze vrees is niet louter theoretisch. Spanje en Tsjechië onthielden zich van stemming bij de eindstemming over de richtlijn, uit bezorgdheid dat de voorstellen onvoldoende mechanismen tegen misbruik en onvoldoende bescherming van schuldeisers bevatten.
Dat gezegd hebbende, hebben beleidsmakers op sommige gebieden geprobeerd de bescherming van crediteuren te versterken. Zo maakt de richtlijn de oprichting van crediteurencomités mogelijk, bedoeld om de betrokkenheid van crediteuren bij insolventieprocedures te versterken, waarbij het comité de belangen van de algemene groep crediteuren vertegenwoordigt. Maar hoeveel macht en invloed deze comités daadwerkelijk zullen uitoefenen, is aan de lidstaten. Er is wettelijk niets gegarandeerd en veel zal afhangen van de uitvoering. In veel lidstaten bestaan er nog geen beproefde werkwijzen.

Ten slotte zal de richtlijn parallel lopen aan het recente voorstel van de Europese Commissie voor een nieuw juridisch kader voor vennootschappen (bekend als „EU Inc.“) als onderdeel van een bredere strategie om het concurrentievermogen van de Europese economie te versterken. Het is bedoeld als aanvulling op de 27 nationale vennootschapsrechtstelsels van de lidstaten. De doelgroep bestaat met name uit innovatieve start-ups en groeiende bedrijven die kunnen kiezen voor de „EU Inc.“ en vervolgens kunnen profiteren van een digitaal en minder bureaucratisch kader voor de gehele levenscyclus van een onderneming (van oprichting tot liquidatie). Het voorstel van de Commissie bevat vereenvoudigde liquidatieprocedures voor innovatieve start-ups, waarbij – onder bepaalde omstandigheden – de aanstelling van een curator niet verplicht is. Er bestaat nog steeds bezorgdheid dat de invoering door de „EU Inc.“ van dergelijke vereenvoudigde en volledig digitale insolventieprocedures voor sommige bedrijven de rol van insolventiebeheerders zou kunnen ondermijnen. Deze professionals spelen van oudsher een sleutelrol bij het waarborgen van de belangen van crediteuren.
Kredietverzekering vult lacunes in de rechtsbescherming
Ondanks de bedenkingen is de koers die de EU vaart positief. Grotere harmonisatie en snellere procedures dragen bij aan een meer geïntegreerde en efficiënte markt. Maar het huidige evenwicht dreigt prioriteit te geven aan snelle afwikkelingen en flexibiliteit ten koste van de crediteuren.
Wanneer bij insolventieprocedures snelheid en efficiëntie voorop staan, hebben leveranciers vaak minder inzicht in de gang van zaken en minder invloed op de uitkomst.
Wanneer leveranciers onzekerheid en onduidelijkheid ervaren, neemt het risico toe. Kredietverzekering versterkt de bescherming van leveranciers wanneer wettelijke waarborgen ongelijk of onvolledig zijn.
„Wanneer bij insolventieprocedures snelheid en efficiëntie voorop staan, hebben leveranciers vaak te maken met minder inzicht en minder invloed op de uitkomst”, zegt Mull. „Kredietverzekering compenseert dit door vorderingen veilig te stellen, waardoor leveranciers beschermd blijven wanneer invorderingsprocessen onzeker zijn of vertraging oplopen.”
Verzekeraars versterken ook actief de veerkracht van leveranciers door afnemende bedrijven voortdurend te monitoren op vroege signalen van financiële problemen. Ze vertalen complexe nationale insolventieregelingen naar duidelijke, bruikbare risico-inzichten. Uiteindelijk vormt kredietverzekering een praktische beschermingslaag voor leveranciers, als aanvulling op wettelijke kaders. Het zorgt ervoor dat leveranciers kunnen blijven opereren, krediet kunnen verlenen en kunnen groeien, zelfs wanneer er hiaten bestaan in de officiële bescherming van crediteuren.
Het is duidelijk dat het Europese juridische kader rond insolventie snel verandert. Hoewel toenemende harmonisatie welkom is, moeten crediteuren zich beschermen tegen situaties waarin een combinatie van nieuwe EU-wetgeving en nationale prioriteiten de risicobalans in hun nadeel doet doorslaan.
Neem contact met ons op om te ontdekken hoe je jouw eigen kredietrisicostrategie kunt versterken, en ontdek hoe wij jou kunnen helpen om voorop te blijven lopen.
- De EU-hervorming op het gebied van insolventievoorschriften introduceert de Insolventierichtlijn III, waarmee gemeenschappelijke minimumregels worden vastgesteld, maar laat nog steeds ruime nationale speelruimte, wat betekent dat de uitkomsten per lidstaat zullen verschillen
- De bescherming van schuldeisers kan afnemen, aangezien de richtlijn prioriteit geeft aan snelheid, efficiëntie en bedrijfsredding, wat aanleiding geeft tot bezorgdheid over transparantie, afdwingbaarheid en ongelijke waarborgen binnen de EU
- Pre-pack-verkopen brengen het risico met zich mee dat crediteuren buitenspel worden gezet; zij hebben mogelijk beperkte inspraak en kunnen gedwongen worden contracten voort te zetten met kopers met zeer uiteenlopende risicoprofielen
- Kredietverzekering helpt beschermingslacunes op te vullen door vorderingen veilig te stellen en vroegtijdige waarschuwingen te bieden wanneer wettelijke waarborgen inconsistent of onvolledig blijven